Skip to content Skip to sidebar Skip to footer

De toekomst voorspellen

“Kun jij mijn toekomst voorspellen dan? Doe eens!” Ze kijkt me aan met lichtjes in haar ogen. Even daarvoor hebben we kennis gemaakt en aan mij wordt de niet-te-vermijden vraag gesteld; ‘Wat doe jij eigenlijk voor werk’?

Vroeger vond ik die vraag makkelijk te beantwoorden. Vroeger was ik iets wat iedereen begrijpt. Nu begrijp ik het zelf geeneens. “Ik heb een soort van spiritueel centrum, antwoord ik.”
De lichtjes blijven me verwachtingsvol aankijken. Ze gelooft in spiritualiteit zegt ze, haar vriendje niet. Maar zij wel.
Ze wijst op haar ketting, een lotusbloem. Van haar oma gekregen die altijd bij haar is.
“Ik ga je toekomst niet voorspellen. Je weet alles zelf al. Als je stil genoeg bent, kun je naar je gevoel luisteren en dan hoor je het” antwoord ik.
Ik moet hard praten. Het water klots tegen onze benen. Aan de onderwaterbar van het zwembad is het moeilijk om elkaar te verstaan. Laat staan jezelf. Toch meen ik het.
Zij antwoordt dat ze geen gevoel heeft. Dus ze weet niet waar ze naar moet luisteren.
Ze vertelde zojuist dat ze 21 jaar is. Ik voel me oud. Dertig jaar verschil, toch zitten we op dezelfde golflengte hier in dit Griekse water. Want we luisteren en zien elkaar.
Zij werkt in de gehandicaptenzorg zegt ze. En als ik haar toekomst niet ga voorspellen, wil ze weten hoe ze naar haar gevoel kan leren luisteren.
Dat lukt niet omdat ze bang is. En of ik dáár dan iets aan kan doen.
“Waar ben je bang voor”?
“Om verkeerde diagnoses te stellen voor mijn cliënten”.
“Wat vind je belangrijker” vraag ik haar zonder dat ik zelf weet waarom; “een goede diagnose of liefde?”
Zonder moment van twijfel antwoordt ze: Liefde.
Met de zon fel op mijn huid, krijg ik kippenvel. Wat een heldin. Ik voel het aan alles. Wat een geluk voor de gehandicapten. Zij krijgen liefde. Ze vertelt hoe fijn ze haar werk vindt, het mooiste werk van de wereld.
We bestellen nog een drankje. Deze vakantie hebben we verdiend. Zij nog meer dan ik.
“Wat voor handicap hebben jouw cliënten eigenlijk”?
“Ze zijn geestelijk beperkt. En de meesten zijn doof en blind.”
Ik schrik ervan. Wat een hoop pech tegelijk.
“Hoe communiceer je met ze?”, vraag ik.
Ze lacht, misschien omdat de vraag haar zo vaak gesteld wordt. Of omdat het voor haar vanzelfsprekend is. “Ik maak gebaren op hun armen. Hele gesprekken hebben we. Hun verzorging doe ik op gevoel.”
Ze vertelt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Communiceren met doof-blinden. Zij doet het.
Uitgerekend dit meisje dat zegt niet naar haar gevoel te kunnen luisteren. Zij hoort wat maar weinig mensen kunnen verstaan. Zij kijkt én ziet.
Ze komt er wel. Zij ís er al. Ik zou willen dat ze zelf ziet hoe mooi en getalenteerd ze is. En hoe de toekomst oorverdovend aan haar voeten ligt. Gisteren, vandaag en morgen.